Als ik deze foto zie, zie ik liefde, vriendschap, vreugde en verdriet. Dit is Blacky, een 91cm hoge Shetlandpony, die begin jaren ’90 ergens midden 20 was, of anders gezegd: oud. Vandaar ook dat Blacky op deze foto al niet meer helemaal black is. Blacky was mijn eerste grote liefde in het leven, hij was mijn beste vriend, belangrijkste leermeester, mijn haven van veiligheid, mijn lust en mijn leven. Onze start was een bumpy ride. Blacky had, laten we zeggen, een reputatie. Ik was een jaar of zeven en begon met paardrijles in Amstelpark, waar Blacky woonde, samen met een aantal andere pony’s. Aangezien ik hysterisch allergisch was voor paarden, zochten we een plek in Amsterdam waar ik buiten kon leren paardrijden. Het Amstelpark bood de perfecte oplossing voor mij. Het was een kwartiertje fietsen van mijn huis, lag in een prachtig groen park en het verhoogde bastion, waar de pony’s stonden, werd gesierd door rijen en rijen van fantastisch prachtige en waanzinnig hoge platanen. Platanen die vanaf de schemering tot het ochtendgloren van hun eerste takken tot en met de hoogste kruin vol zaten met de vele kippen die overdag over het bastion scharrelden. Dat kippen op stok gingen, wist ik wel. Dat ze zo hoog konden vliegen voor een comfortabele stok, dat leerde ik in het Amstelpark. Verder leerde ik er de meest rampzalige scheldwoorden, afkomstig van de vierjarige jongste zoon van beheerder Fred. Vergeef me dat ik de naam van de kleine jongen niet meer weet, maar als de paardenmeisjes eraan kwamen, zat hij in de bosjes verstopt, om je vanuit zijn schuilplaats verrot te schelden met scheldwoorden waar zelfs de meest zware jongens nog het schaamrood van op de jukbeenderen zouden krijgen. Om dan even later op de dag vredig in haar armen aan de tiet van zijn moeder te liggen. Hij kreeg nog borstvoeding, want Janny en Fred gingen nog een meisje uit China adopteren, en die kon ze dan ook nog voeden. En zo geschiedde dan ook.

En over zware jongens gesproken. Het bastion werd gepacht van de gemeente door een zware Amsterdamse jongen die zelf zijn dagen sleet op Ibiza of een ander tropisch belastingparadijs. Eerst was het zijn vriendje Johan geweest, die de boel namens hem daar runde, en later dus Fred en Janny. En als er een wethouder kwam die meende dat het wel mooi geweest was met de pacht van dat stukje gemeentegrond midden in dat keurige park, dan kon die wethouder een bezoekje bij hem thuis verwachten, waarna de pacht weer werd voortgezet. Als paardenmeisje in Amsterdam was ik aangewezen op de rafelrandjes, en dit was mijn lievelingsrandje, met mijn lievelingspony. Als Blacky een mens was geweest, was hij wellicht ook wel een kleine dikke maffiabaas geweest, want Blacky liet niet met zich sollen. Ja, Blacky had een reputatie, een reputatie waar ik niets van af wist toen ik als onbevangen jong paardenmeisje het terrein op gehuppeld kwam. In het Amstelpark werden paardrijlesjes gegeven, door Ria, een te dikke Amsterdamse dame met een klein keffertje en een knalrode Canta, die ze altijd helemaal naar boven reed. Ria zette geen stap teveel. Ze leerde me paardrijden op Blacky, die toen nog opgezadeld voor me klaarstond. Opstappen en gaan. Ik hoefde er niets voor te doen. Geen contact te maken, niet me best doen om voor hem te zorgen, niet snappen hoe dat zadel nou goed ligt, wat al die riempjes aan zijn hoofd zijn. Nee, opstappen, rijden. Naast de lesjes, waren de pony’s zeven dagen per week beschikbaar voor parkbezoekers om er een rondje op te zitten voor twee gulden vijftig. In de jaren ’90 kon dat nog. Er liep dan een meisje naast. Dat was een clubje paardenmeisjes, en die deden wel alles met de paarden. Poetsen, zadelen, voeren, uitmesten en heel heel heel veel rondjes lopen. Dat wilde ik! Ik wilde een écht Amstelpark paardenmeisje zijn.

Maar goed, paardenmeisjes, voor wie het nog niet wist, zijn ook ontzettend gemeen tegen elkaar. Wist ik toen ook nog niet, maar toen Ria mij vastberaden voorstelde aan de meiden als ‘nieuw paardenmeisje’, werd ik met geveinsde glimlachjes ontvangen. ‘Dan ben je het kleinste paardenmeisje van de club, dan mag je ook het kleinste paardje verzorgen, Blacky.’ Kwam dat even goed uit! Blacky! Daar reed ik mijn lesjes op, die kende ik al! Niets bleek minder waar. De paardenmeisjes duwden me zijn stal in en sloten de deur achter me. Dat was het moment dat ik Blacky’s reputatie leerde kennen. Blacky beet en trapte en gebruikte alle middelen die hij in zijn macht had om mij zijn stal uit te werken. Zijn stal met de stevig gesloten deur. Ik klom langs het beschot omhoog en zat bont en blauw op de zijwand van zijn stal, mijn benen opgetrokken, zodat hij me niet kon raken. Ik keek naar de kleine zwarte pony die ik duidelijk nog niet kende, en besloot daar en dan met heel mijn hart: ‘Jij en ik gaan beste vrienden worden!’ En dat werden we. Ik zou die paardenmeiden wel een poepie laten ruiken. Liefde gaat door de maag, dat wist ik toen ook al, en met veel kunst en vliegwerk, aanvallen ontwijkend en paaiend met heel heel veel eten, wist ik mij een weg te banen door het schild van Blacky, naar zijn hart en vertrouwen. Blacky en ik konden lezen en schrijven samen. Ik leerde hem zit, nam hem in mijn pauzes mee de snackbar in, tot grote ergernis van Fred, racete er samen zonder zadel en achterste voren zittend nog de grootste ponies uit, voerde hem cola en snickers, hij was al een voortand kwijt en al oud, dus ik zag er weinig kwaad in hem nog zijn guilty pleasures op z’n tijd te gunnen. Als hij ontsnapte gingen alle meiden met longeerlijnen het park in om de kleine donder in te sluiten. Ik liep de andere kant op, haalde een voerschep met biks uit de voeropslag, rammelde daar een paar keer mee en zag mijn kleine vriend met een noodvaart aan komen spurten, waarna we samen gingen chillen op het terras bij de stallen. Uiteraard zonder de andere meiden in te lichten over Blacky’s gezwinde terugkeer. Van mijn zevende tot mijn dertiende spendeerde ik elk weekend, alle beschikbare vakantie- en feestdagen bij mijn Blacky en z’n vrienden. Aangezien Blacky al oud was, toen ik zeven was, was hij super oud, toen ik dertien was. Niemand wist hoe oud hij precies was. Hij was gewoon enorm oud. En tegen die tijd zo oud dat hij weg mocht van Fred. Ik fietste stad en achterland af op zoek naar een stal voor Blacky die ik kon betalen. We zaten thuis niet bepaald in de slappe was, dus dit moest ik zelf gaan organiseren. Na dagen van zoeken was daar een molen in Sloten met een meneer die mijn verhaal wel aandoenlijk vond, en zei: ‘Lieverd, voor 50 gulden per maand mag je die pony van je hier stallen, wij zorgen voor hem, jij hoeft alleen maar langs te komen om hem te knuffelen.’ Het was één van de gelukkigste momenten van mijn leven. Ik geloof niet dat ik ooit nog zo’n totale high van geluk heb gevoeld in mijn leven. Elke cel in mijn lijf was feest aan het vieren. Ik fietste zo hard als ik kon naar huis, dit was het pre-mobiele telefoon tijdperk, sprintte de trap op naar de woonkamer en belde uitgelaten naar Fred om hem het heugelijke nieuws te vertellen dat ik na dagen van hard werk een ouwedagsplekje voor Blacky had gevonden. Aan de andere kant hoorde ik Fred: ‘Oh, euh, ja, die ouwe kleine zwarte…die heb ik net an een mongolengesticht weggegeeffon.’ Ik liet de hoorn zakken, en de hoogste high van mijn leven, maakte plaats voor de aller aller diepste low allertijden. Het is de enige keer in mijn leven geweest dat ik zo’n harde emotionele smakker heb gemaakt van euforie naar diep diep verdriet. Ik ben er nooit achter gekomen waar Blacky heen was verhuisd en heb hem nooit meer gezien. Gelukkig komt hij zo nu en dan nog mijn dromen binnen gewandeld om even bij me te zijn. 

Dus ja, liefde, vreugde, vriendschap en verdriet. Een ander verdriet dat ik zie, kwam pas veel later. Pas zo’n tien jaar later, na nog vele andere bijzondere liefdevolle en zeldzaam mooie paardenavonturen, had ik geleerd dat iets fundamenteel niet klopte voor mij. Dat zweepje. Dat kleine meisje op die kleine pony met dat zweepje. Ria had mij geleerd dat Blacky moest luisteren en zo niet, dan maar met de zweep. Ik moest hem dirigeren, bedwingen, zijn eigen mening de kop in drukken. Gelukkig was Blacky een Shetlandpony, en iedereen die Shetlandpony’s kent, die weet: die ontneem je hun mening niet. Maar niet alleen Ria leerde mij de zweep te hanteren. Al mijn andere instructeurs na haar leerde mij mijn zweep te gebruiken, mijn sporen, mijn extra hulpteugels, mijn dwang, mijn controle, mijn dominantie. Het paard dient te luisteren. Dat leren we onze onschuldige paardenmeisjes nog elke dag. Zeven jaar jong leren we hen de grenzen van deze edele dieren te negeren, te overschrijden met zweepjes en meer. Het maakte dat ik het geluk verloor te midden van zelfs de meest bijzondere paardenvriendschappen in mijn leven. Met een verscheurd hart reed ik mijn tweede hartenpaard Kicking naar een weiland in het Oosten van het land, omdat ik niet langer begreep hoe ik goed voor hem kon zijn. Het paardenplezier was me ontnomen, ik had mezelf geweld aan gedaan, door vanaf zeven jaar oud te leren deze prachtige dieren geweld aan te doen. Ik had mezelf zoveel beter gegund. En nog steeds leren we elke dag wereldwijd paardenmeisjes en -jongens deze dieren hun wensen op te leggen, af te dwingen met hulpmiddelen en geweld. En dat terwijl we vandaag de dag de luxe hebben dat we op geen enkele andere manier meer afhankelijk zijn van het paard, anders dan het verlangen naar rust en ontspanning. Ze hoeven onze goederen niet meer te voort te trekken, onze velden niet meer te ploegen en onze oorlogen niet meer te voeren, het ‘moeten’ is geen essentieel onderdeel meer van onze relatie met deze dieren. In deze moderne wereld mogen we samen zijn, mogen we het leven delen met zoiets prachtigs als een paard. Dus laten we dat dan ook doen. Laten we samen zijn, laten we ons best doen om het onze paardenvrienden zo goed en fijn mogelijk te maken in het leven, met een fijne kudde, 24/7 vrije bewegingsruimte en een samenwerking die gebaseerd is op wederzijds respect, vertrouwen en vriendschap. Als er een dier is dat onze kinderen de waarde van vriendschap kan bijbrengen, dan zijn het onze paarden. Laten we alsjeblieft niet onze kinderen leren dat zij deze gevoelige dieren en potentiële beste vrienden hun wil moeten opleggen met dwang, controle en geweld. Laten we een wereld creëren waarin we samenwerken, waarin onze paardenvrienden er ook voor mogen kiezen om vandaag even niet mee te doen, waarin onze samenwerking gebaseerd is op spel, plezier en liefde. Een wereld waarin paarden paard mogen zijn en kinderen kind. Voor alle Blacky’s en Sarah’s nu en in de toekomst wens ik een paardenwereld zonder zweepjes, zonder dwang, en vol met liefde. 

Dit is mijn persoonlijke verhaal, dat symbool staat voor een dieper gelegen missie die ik bij me draag. Met de Paardenzaak help ik ondernemers te ontwikkelen met behulp van de magie en het spel met paarden. Een manier van werken waarin de paarden een rol kunnen spelen die hen volledig in hun waarde laat en die voor mij persoonlijk betekent dat ik mijn kwaliteiten en ervaringen als creatief ondernemer en als paardenmeisje kan verenigen. De paarden waar ik mee werk krijgen ruimte om paard te zijn, een mening te hebben en keuzes te maken. Mijn grotere wens is om bij te dragen aan de beweging in de paardenwereld naar samenwerking in harmonie. Mocht je tips willen of van gedachten willen wisselen over manieren en plekken om holistisch te leren werken met paarden, voor jezelf of voor je kinderen, dan mag je altijd contact met me opnemen, ik denk graag mee.